VERWEY EN BOOT - Leerling en leermeester

09.06.2007 - 19.08.2007

Kees Verwey (1900-1995) geldt als een van de grootste Nederlandse impressionisten van de 20ste eeuw. Zijn werk is echter ondenkbaar zonder dat van de excentrieke schilder Henri Frédéric Boot (1877-1963). Boot gaf in zijn chaotische Haarlemse atelier jarenlang les aan Verwey en oefende een beslissende invloed op hem uit. Op de tentoonstelling is te zien tot hoever de invloed van de leermeester reikte en waar Verwey’s eigen inbreng begon.

De in Amsterdam geboren, maar vooral in Haarlem werkzame schilder Kees Verwey meldde zich in 1923 bij Boot om zich in de schilderkunst te bekwamen. De leerjaren waren moeilijk, want Boot was bijzonder veeleisend en nogal radicaal in zijn opvattingen. Een kunstenaar moest in de ogen van Boot arm zijn en zich verre houden van maatschappelijke roem. Verwey heeft de periode bij Boot omschreven als ‘de verschrikkelijkste en tegelijk de machtigste tijd van mijn leven. Bij hem heb ik de stokslagen waar het leven om vraagt, leren verdragen.’ Anderzijds beschouwde hij zijn studiejaren ook als ‘een tijdperk dat een belangrijk deel van mijn gelukservaringen uitmaakt.’

Henri Boot had zich, na een korte studie klassieke talen, ontwikkeld tot een schilder van aandachtig uitgewerkte stillevens en portretten. Vooral de stillevens, vaak toevallige hoekjes van zijn overvolle atelier, zijn typerend voor Boots opvatting over kunst. Een schilder moest in zijn werk vooral de schoonheid tonen van de alledaagse werkelijkheid. Het onderwerp deed niet echt ter zake. Boot was in zijn kunstopvatting verwant aan de stroming der Tachtigers, met schrijvers als Lodewijk van Deyssel. Diens minutieuze werkelijkheidsobservatie maakte op zowel Boot als Verwey veel indruk. Ook levensbeschouwingen uit de klassieke oudheid over onthechting en gelatenheid zijn in Boots levensopvattingen duidelijk terug te vinden.

Boots invloed op Verwey was opvallend groot. Deze voelde zich zo verwant met Boot en wilde zich zo graag aan hem spiegelen, dat zelfs zijn atelier identiek was aan dat van zijn leermeester. Verdroogde planten en bloemen, flesjes, potjes, dozen, vazen, gipsafgietsels van klassieke beelden en vele andere objecten,onder dikke lagen stof. En net zoals voor Boot, was het stilleven ook voor hem het ultieme genre; het stelde niet alleen hoge eisen aan de precieze observatie, maar vooral ook aan de ruimtelijke weergave van de voorwerpen in een heldere, intieme ordening.

Ook al was de artistieke verwantschap met Boot diep geworteld in zijn werk, vanaf 1950 ontwikkelde Verwey een duidelijk eigen handschrift, dat gekenmerkt werd door een expressief kleurgebruik en een heftige penseelstreek. Werden de schilderijen van Boot bepaald door een alles overheersende, gedempte kleurtoon, Verwey zocht juist naar uitgesproken lichtimpressies met sterke coloristische accenten. Vooral in zijn grote ‘atelierstillevens’ is hij tot een eigen uitwerking gekomen van wat in de kern kunstideeën zijn die hij bij Boot had leren kennen.