ONTVELDE PLEKKEN - Tekeningen in het kader van Haarlem Stripdagen

06.04.2002 - 16.06.2002

In het kader van de Stripdagen Haarlem, 1 en 2 juni, was de Rotterdamse kunstenaar Ronald Cornelissen uitgenodigd om een tentoonstelling te maken over de grensvervaging tussen beeldende kunst en strips. Hij wilde laten zien hoe beeldend kunstenaars en striptekenaars elkaar beïnvloeden. Voor deze tentoonstelling heeft Ronald Cornelissen twee Amerikaanse underground tekenaars uitgenodigd. Hun werk werd getoond in combinatie met tekeningen van drie Nederlandse kunstenaars.

Ontvelde plekken

Het werk van de Amerikaanse tekenaars en de Nederlandse kunstenaars op de tentoonstelling maakt duidelijk dat grenzen in vorm en inhoud tussen high en low culture, tussen de wereld van de kunst en die van de strips, steeds vager worden. Maar er zijn ook verschillen. De (Amerikaanse) underground tekenaars gaan illustratiever te werk en hanteren vaak nadrukkelijker een verhaallijn dan de (Nederlandse) kunstenaars. Zij kiezen eerder voor op zichzelf staande beelden, die in hun betekenis niet letterlijk gelezen kunnen worden en daardoor een veelheid aan interpretaties kennen. Het is allemaal wat diffuser en wat poëtischer. Als gemeenschappelijk kenmerk geldt dat beiden de menselijke driften als uitgangspunt nemen en hun fantasieën over de aardse natuur ruim baan geven.

Twee Amerikaanse striptekenaars

Joe Coleman (1955) en Phoebe Gloeckner (1960) leggen een bijna obsessieve fascinatie aan de dag voor gewelddadige, monsterlijke, sexuele uitspattingen. Hoewel zij in hun voorstellingen teruggaan op situaties die direct aan de werkelijkheid ontleend zijn, worden deze evenwel op een zodanige bizarre wijze uitvergroot en verwrongen dat ze volkomen krankzinnig lijken. De werkelijkheid wordt door hen messcherp ontleed en de menselijke natuur wordt in al zijn onvolkomenheden genadeloos aan het licht gebracht, zonder dat ze op enig moment moraliserend of belerend willen zijn.

Drie Nederlandse kunstenaars

De werken van David Bade (1970), Ronald Cornelissen (1960) en Elise Tak (1957) zijn daarentegen minder hard in hun weergave en minder expliciet in hun betekenis. Zij geven niet zozeer een pijnlijk commentaar op menselijke of maatschappelijke tekortkomingen, maar geven veeleer uiting aan beknellende angsten en gevoelens. Je zou met betrekking tot hun werk eerder kunnen spreken van een bijna kinderlijk romantiserende fantasiewereld. Je voelt in alles dat zij een onbedwingbare wens hebben om een ‘eigen’ werkelijkheid te scheppen.