ONTMOETINGEN - Portretfotos van Koos Breukel

24.09.2005 - 04.12.2005

Koos Breukel (Den Haag, 1962) is een van de markantste hedendaagse portretfotografen in Nederland. Zijn monumentale zwartwitfoto’s onderscheiden zich door hun stijlvolle, klassieke eenvoud én hun emotionele lading.

In de herfst van 2005 toont De Hallen Haarlem dertig foto’s, die samen een goed beeld geven van het indrukwekkende oeuvre van deze fotograaf.

Aangrijpend is de reeks portretten van ‘beschadigde’ mensen, zoals de door brandwonden gehavende slachtoffers van de vliegtuigramp bij het Portugese Faro. Daarnaast maakt Koos Breukel portretten van zijn vrienden, van studenten, boeren en bekende kunstenaars. Deze onopgesmukte portretten vallen op door de verbluffend nauwkeurig registratie van het uiterlijk. Tegelijkertijd weet de fotograaf het karakter van de geportretteerden op een haast vanzelfsprekende wijze te doorgronden. Ook werd de verbijsterende reportage getoond die de fotograaf in 2004 maakte van kindsoldaten in Sierra Leone.

 De monumentale foto’s van Koos Breukel (Den Haag, 1962) passen in de beste traditie van de portretfotografie: verstild, scherp geobserveerd en met een ongekend oog voor detail. Zoals hij het zelf formuleert: “Je kunt het zo gek niet bedenken of je kunt er wel een mooie foto van maken. Maar zonder gevoel is het niets anders dan een leugen.” Breukel heeft het vermogen om de geportretteerde als een karaktervolle persoonlijkheid neer te zetten, of deze nu een beroemdheid is of een anonieme passant. Theatrale middelen, met uitzondering van een enigszins dramatische belichting, worden nadrukkelijk vermeden. Afleidende attributen of opzichtige rekwisieten worden opzettelijk buiten beeld gelaten. Hij wil zijn modellen op een natuurlijke manier laten ‘spreken’, zonder dat ze zich overdreven gedragen of een gemaakte pose aannemen. Hij wil ze zó fotograferen dat ze opmerkelijke en unieke individuen worden.

Ontmoetingen

Breukels foto’s kunnen het best omschreven worden als ‘ontmoetingen’: intieme en intense ontmoetingen die direct op je netvlies inwerken en zich in je geheugen vastzetten. Hij houdt van situaties waarin iets onvoorspelbaars gebeurt, waarin een blik of trek scherp wordt uitgelicht, waarin wordt aangestuurd op een verontrustende confrontatie. Of zoals Merel Bem in de Volkskrant schreef: “Elk gezicht heeft honderdduizend interessante kenmerken waar je urenlang naar zou willen kijken, maar die ook zo persoonlijk zijn dat te lang staren, net als in de bus of trein, onbeleefd is. Dat maakt dat het kijken naar de portretten iets ongemakkelijks heeft.” Koos Breukel fotografeert in zwart-wit, met een grote camera op statief waar negatieven van 20 x 25 cm in passen. Door het grote negatiefformaat zijn de foto’s haarscherp. Elk vlekje, elk haartje, elke sproet is te zien.

Vanitas

De tentoonstelling in De Hallen vormde een imponerende portrettengalerij. Enerzijds zijn er de beeldverslagen van slachtoffers, van ‘beschadigde’ mensen. De foto’s zijn voelbaar van binnenuit gemaakt en komen zeer dichtbij. Aangrijpend is de fotoserie ‘Hyde’ (1996) die Breukel van de theatermaker Michael Matthews heeft gemaakt. Hij volgt diens aftakelingsproces vanaf het moment dat bekend wordt dat Matthews aan aids lijdt. De foto’s van een steeds mager wordende man, met de nadruk op de perkament geworden huid, blijven je lang bij. Pijnlijk is het fotoverslag ‘Best Friend’ (1998), waarin hij het slopende ziekteproces van vriend en collega-fotograaf Eric Hamelink heeft vastgelegd, tot aan het moment waarop deze aan een hersentumor overlijdt. Onverdraaglijk is de laatste opname van Eric, als hij ten gevolge van de toegediende medicijnen tot wanstaltige proporties is opgezwollen. Heftig is ook de serie ‘Overlevenden van Faro’ (1999), met mensen die voor het leven getekend zijn door deze vliegtuigramp: een getraumatiseerde jongen met een starende blik of een afwezig kijkende vrouw met littekens op neus en voorhoofd. En in 2004 maakte Breukel een reportage over ‘kindsoldaten in Sierra Leone’: kinderen die vaak zwaar verminkt zijn, geen enkel normbesef meer hebben, en hun onschuld voor altijd verloren hebben.

Koos Breukel zoekt in deze werken de grenzen van het ethisch toelaatbare heel nadrukkelijk op. Het zijn een soort ‘vanitas-voorstellingen’ waarin de menselijke broosheid en kwetsbaarheid centraal staan.

 Anderzijds waren er portretfoto’s van vrienden en van boeren, studenten en kunstenaars, die verstild en ingetogen overkomen. De geportretteerden zijn nogal in zichzelf gekeerd en lijken zich af te sluiten van de buitenwereld. Dat ‘onbereikbare’ heeft iets verontrustends.