BLOEI VAN HAARLEM - Hedendaagse Europese en Amerikaanse fotografie

19.05.2001 - 12.08.2001

De periode 1900-1930 geldt als bloeitijd in het Haarlemse culturele leven van de 20ste eeuw. Vanaf 19 mei is over dit tijdperk in de Vleeshal een grote expositie te zien. De veelzijdigheid van het toenmalige kunstklimaat wordt met tal van kunstwerken zichtbaar gemaakt. Er zijn voorbeelden van traditionele schilder- en beeldhouwkunst, van avant-gardistische kunst en bovendien van de toen zeer bloeiende kunstnijverheid. Tientallen inmiddels bijna vergeten kunstenaars krijgen op de expositie opnieuw aandacht. Zeer belangrijk was indertijd de School voor Kunstnijverheid, een onderwijsinstituut met een nationale en zelfs internationale reputatie. Bij de tentoonstelling verschijnt een publicatie waarin deze unieke bloeitijd uitvoerig belicht wordt.

School voor Kunstnijverheid

Het ‘geheim’ van de toenmalige opbloei van het kunstleven was gelegen in de opmerkelijke combinatie van bijzonder kunstonderwijs, musea en een veelzijdige kunstenaarswereld. Van groot belang was de School voor Kunstnijverheid, een schepping uit 1877 van de Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid en Handel. Doel van de school was, de producten van nationale nijverheid te verbeteren. Vooraanstaande architecten, kunstenaars en kunstnijveraars als J.L.M. Lauweriks, Chris Lebeau, Hendrik Maarten Krabbé en Samuel Jesserun de Mesquita gaven er les aan aankomende kunstenaars uit binnen- en buitenland. Bij deze school behoorde een Museum voor Kunstnijverheid, dat een overzicht gaf van historische kunstnijverheid.

De school werd in 1918 omgevormd tot de ‘School voor Bouwkunst, Versierende Kunst en Kunstambachten’, waarmee de decoratieve kunsten ondergeschikt werden gemaakt aan de bouwkunst. Dit was een revolutionair voorstel, dat evenwel niet aansloot bij de onderwijshervorming van het rijk, de voornaamste subsidiegever van de school. Hierdoor moest de school in 1926 de deuren sluiten. In hetzelfde jaar ging ook het museum dicht.
Het Haarlemse culturele leven heeft sterk geprofiteerd van de aanwezigheid van het Museum voor Kunstnijverheid en vooral van de bijbehorende unieke school. Haarlem was, met name aan het begin van de 20ste eeuw, synoniem met vooruitstrevend kunstnijverheidsonderwijs. Uiteenlopende voorbeelden van toegepaste kunst uit die tijd zullen op de tentoonstelling te zien zijn.

Vrije kunst

Niettemin was de kunstnijverheid maar één kant van het Haarlemse kunstleven. Daarnaast was er immers ook een groot aantal vrij werkende schilders en beeldhouwers. Sommigen van hen waren overigens ooit leerling geweest van de School voor Kunstnijverheid. De expositie laat voorbeelden zien van werk van Herman Kruyder, Jan Bronner, Théophile de Bock, Jacobus van Looy, Theo van Reyn, Kees Verwey, Coba Ritsema en vele andere autonome kunstenaars uit deze periode.

Dwarsdoorsnede

Het Haarlemse kunstleven in de jaren 1900-1930 was veelzijdig en vol contrasten. Daarvan wil de expositie een beeld geven. Zo staan modernistische beeldhouwkunst en kunstnijverheidproducten zij aan zij met meer conventionele stilleven- en landschapschilderkunst. Tezamen bieden de zeer uiteenlopende kunstwerken een dwarsdoorsnede van een boeiend kunstklimaat, dat ook ver buiten de Haarlemse stadsgrenzen betekenis had.

Boek

Ter begeleiding van de tentoonstelling verschijnt een boek waarin verslag wordt gedaan van een uitvoerig onderzoek naar de betreffende periode. Auteur is de kunsthistoricus Michael Huig.
Michael Huig, De bloei van Haarlem. Kunstleven aan het begin van de twintigste eeuw. Uitgeverij THOTH, Bussum. 240 p., ill., f 55,-
Boek en tentoonstelling zijn tot stand gekomen in samenwerking met de Stichting Kees Verwey.